vrijdag 19 juni 2009
een ingelast debat van het architectuurcentrum twente:
crisis in de bouw betekent: vechten voor lijfsbehoud of kiezen voor kwaliteitsbehoud
sprekers:
- Jan Salverda algemeen directeur woningcorporatie Domijn, Enschede
- Rob Welten wethouder RO van de gemeente Oldenzaal
- Michel ten Hag directievoorzitter van de ten Hag Groep, Enschede
- Lucas Haafkes directeur aannemersbedrijf WJ Haafkes en Zn, Goor, Enschede
onder de bezielende leiding van han pape
het had een interessante discussie kunnen zijn; de ingrediënten waren aanwezig | gelukkig was er geen afgevaardigde van een financiële instelling, dus was de uitkomst van het debat bij voorbaat helder: 't is de schuld van de bank (en dus indirect van de overheden) | de heer welten wist zich hiermee staande te houden! |
welk gevoel borrelde boven? | enerzijds was er het besef dat er naar 'alternatieven' (?) gezocht moest worden, dat er 'kwalitatief' (?) hoger ingezet moest worden en dat de (kunstmatige) prijzen omlaag moeten | anderzijds kwam naar voren dat het ecologische vraagstuk opzij geschoven moet worden, dat het er nu de tijd niet voor is om filosofisch over de bouw te doen | zet je het een tegenover het ander, dan is het resultaat eigenlijk: 'same old, same old' in plaats van 'let's make things better'! | 1 spreker (uit het publiek!) durfde het aan om het panel te confronteren met de vraag of er 'anders' gedacht kon gaan worden | antwoord: nu niet |
wel interessant was dat men nu kansen zag voor inbreiding van stedelijke (en agrarische? | niets over gehoord) conglomeraties, iets dat al heel lang een vraagstuk is | herstructureren, vitaliseren in plaats van nieuw bouwen (ook omdat de grondgebonden woningen nog minder onder druk staan dan de appartementen, juist daar liggen de uitdagingen | ook voor ons interieurarchitecten) | mooie term hiervoor: archipunctuur (frits locher via jan salverda) | hiervoor zal op bestuurlijk niveau water bij de wijn moeten |
het blijft een gek idee: je koopt een auto, en na vijf jaar wil je een andere | de prijs voor je auto is gehalveerd | je koopt een huis, en na vijf jaar wil je een ander | de prijs voor je huis is met 10% gestegen | resultaat: je auto vindt een koper die minder te besteden heeft dan jij, je huis vindt een koper die er geen vraagtekens bij zet omdat hij toch hypotheekrenteaftrek kan verwachten! | waarom bouwen we geen huizen die kwalitatief verschillen? | aan de ene kant huizen die goedkoop en kwalitatief minder gebouwd worden en na aankoop minder waard worden waardoor starters die huizen kunnen gaan kopen | en die na 25 jaar moeten worden afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw | en aan de andere kant huizen die door locatie en bouwwijze schaars worden en daardoor in prijs kunnen stijgen |
en waarom zijn er geen bouwers die een dependance in china opzetten, daar de (o.a.) huizen laten bouwen en als pre-fab in europa verkopen?
lijken mij kansen voor kwaliteit!
vrijdag 22 mei 2009
eten en geluk
Voor de Beroepsvereniging Nederlandse Ontwerpers heb ik enkele jaren geleden een lezing voorbereidt over culinaire trends, met aansluitend een picknick. Het thema was ‘Pornfood’, een term die nu zelfs genormaliseerd wordt: ik hoorde hem laatst op televisie tijdens een kookprogramma van Nigella Lawson. Alleen was haar betekenis iets anders, bij mij ging het om het ruime begrip culinaire trend en de plaats van de gourmand in de geschiedenis. En bij haar ging het om de erotiek van een chocoladesoufflé. Een erotiek die Lidewijde Paris, schrijfster van een artikel in de ‘Vrij Nederland’ bijlage ‘Smart new food’ als geen ander kan verwoorden:
- ‘Dieppaarse druiven waar dauw op parelt in heiig tegenlicht, perziken met lichtbehaarde huid en strakke naad, ijs dat langzaam smelt op een bord met gouden rand en in een koele poel om dieprode kersen glijdt, stoom van warme kippenlevertjes die tegen een glas rode wijn condenseert en in trage druppels langs de bolling naar beneden druipt...
Ja, over eten en geluk moet wel iets te melden zijn...
Tot en met de 2e W.O. was eten een noodzaak; was je arm dan at je voor energie om te werken, je kon kiezen uit brood, vet of aardappelen. Eten was niet bedoeld om van te genieten, alhoewel ik me wel realiseer dat wanneer je de hele dag fysiek uitputtend werk doet, eten wel degelijk genot verschaft. Er hoefde niet op lijn of cholesterol te worden gelet, je at wat je lichaam verbruikte tijdens het ploegen of opvoeden van 5 tot 10 kinderen.
Was je daarentegen rijk, dan at je om geen flauwtes of een slecht humeur te krijgen, en was de keuze wat uitgebreider: vlees, wild (hoe adelijker hoe beter), koffie, gebak. Banketten die dagen konden aanhouden. Copieuze maaltijden. Een voorbeeldje van de onvolprezen Brillat-Savarin, 19de eeuwse dandy en fijnproever: Hij deelt menu’s voor zo’n 10 personen in categorieën!
Hoe dan ook, in beide gevallen was het eten geen lolletje; of je at om niet dood te gaan, of om niet in een sociaal isolement te raken.
Pas na de 2e W.O. werd eten een sociale activiteit, met als hoogtepunt in de sixties & seventies de eerste foodtrend: het fonduen en barbecuen. Fonduen eerst nog in hete olie of bouillon, de kaasfondue was nog te exotisch. Blokjes kip en stukken schnitzel, champignons, alles in de hete pot met ieder zijn eigen stokje met kleurtje. En uiteraard vergezeld van een schaal ‘slaatje’, dat prachtige bijgerecht van aardappel en slasaus. We zaten met meerdere gezinnen om een kookpunt, drankje erbij, apart tafeltje voor de kids. Er mocht aan tafel gepraat en gelachen worden, want we hadden wat meer vrije tijd, en dat leverde gespreksstof.
Niet alleen de baas had een auto, we kochten onze eigen variomatic waar makkelijk een gezin samen met opa en oma inpaste. Konden we gaan picknicken! Tupperware werd alomtegenwoordig door dat picknicken, want de boterhammen, plakjes worst en limonade moesten ergens in. Tupperware was ook een bindend element; er werd niet in de winkel gekocht maar op gezellige party’s. En Thermos werd van een merk een zelfstandig naamwoord.
Pornfood refereert ook aan het uiterlijk van de toenmalige maaltijden en hapjes: geconserveerde asperges in gekookte ham, torentjes van blokje kaas, uitje, plakje leverworst, gebakken borrel-pootjes: het zag er allemaal nogal bloot en gekunsteld uit.
En dan ook nog een Brabants bont/rood-wit geblokt kleed op de grond in de vrije natuur naast de eerste snelweg met om de 10 minuten een auto, en een spijkerpak aan a la ‘deep throat’, en de vergelijking met Emanuelle 1 t/m 8 was een feit. Happiness is a warm gun zongen de Stones.
Daarna kwam het chique racletten en gourmetten en op een gekke zondag konden we wel eens naar de Chinees gaan. De hapjes werden 10 soorten chips, bier werd wijn, daar hoorde een kaasje bij (liefst met schimmel zoals brie), sigaretten in een pop-up uitdeelhouder. Het werd echt gezellig. De buren werden eens in de maand uitgenodigd om te eten, vrienden 2 keer, men werd zelfs wel eens ‘teut’. Er kwam een zitkuil in de Scandinavische bungalow, een zwembad in de tuin, en we gingen naar Spanje in de zomer en Oostenrijk in de winter (in plaats van andersom, wat mij veel logischer leek).
En daar aten we pasta, paella en geschnizeltes. En dat wilden we thuis ook! Blij op vakantie, blij thuis! En dus kwam Knorr met elleboogjesmaccheroni, gele rijst, en allerlei exotische sausen. Thuis sneden we de schnitzel in kleine stukjes, Spam erbij, uitje bakken, maccheroni botergaar koken, de inhoud van Knorr’s kruidenmix aanlengen met water en mee laten koken tot een egale, ondoorzichtige massa.
En eigenlijk moest er nog een gebakken ei op en Amsterdamse uitjes erbij!
Tot we in de jaren tachtig door kregen dat elke cultuur, elk land en elke streek zo zijn eigen gerechten en gewoonten had. En dat het veel interessanter was dit zo exact mogelijk te reproduceren. We kochten geluk in de vorm van een wok! En een espressoapparaat. Een Anti-aanbakpan. En het belangrijkste item in de trendy keuken: olijfolie. Met dit wondermiddel (waar mijn ouders nog buikloop van kregen, en steevast een blik boter meenamen naar Italië) kon gekookt worden, je kon erin ma-ri-ne-ren! En je kon er dressings mee maken (bij de chique buren heette dat vinaigrette). Dus vis, vlees en pure groenten kwamen herkenbaar op het bord. In de stad kon je naar de Mexicaan, de Griek, de Hongaar, de Belg, de Italiaan, en in een hele grote stad zelfs naar de Hollander.
Zelf koken deden we, en doen we nog steeds op gas. De trendgevoelige buren installeerden in de sixties een elektrische kookplaat die ze ook in de Apollo gebruikten. In de jaren 70 een keramische kookplaat, in de tachtiger jaren weer een gaskookplaat met in de nineties er een wokbrander bij. En nu hebben ze een inductieplaat met allemaal nieuwe pannen en een stoomoven. Het eten wordt puur en ongezoet. Koken in water is zonde van de vitaminen.
We bouwen geen zitkuil meer, maar een kookeiland. Twee veelzeggende woorden: kook - eiland. Vooral de alleenstaande, werkende mens wenst een kookeiland. Geen tijd voor vrienden, geen tijd om te koken, en dan ’s nachts een pizza opwarmen in de high tech sensor combi oven. Alleen. Zittend op een Phillip Starck barkruk aan het overstekende stuk graniet van het eiland. Het klinkt zielig, maar voor het zelfde geld kan het een intens geluksgevoel veroorzaken.
In het 2e millennium wordt de kok omgeschoold tot laborant. Stoomoven, inductie, plancha, vacumeren, paco-jet, frix. En dat terwijl we nu geen hittebron meer nodig hebben! Wat we niet rauw met wat wasabi eten, frituren we in stikstof bij 500 graden onder nul. Door de hoge hygiëne eisen wordt er gekookt met latex handschoenen, mondkapjes en haarnetjes. De ingrediënten worden op moleculair niveau gesepareerd en weer gerangschikt tot iets anders. Melk komt niet meer uit de koe maar uit de sojaboon. Er liggen veel kleine hoopjes op veel kleine bordjes. Bonbons van chocolade met een roquefortvulling, zoethout als spies voor de coquille, vanille gaat samen met kreeft. Het interieur is minimalistisch, er zijn grote ruimtes met weinig tafeltjes voor 2 of zelfs 1 persoon in het Scandinavisch/Japanse restaurant. Yo Sushi in Londen is de eerste Japanse snackbar in Europa met een lopende band waar je, omheen gezeten, af kunt pakken wat je wil. Solo eten wordt hip.
De gezelligheid, of knusheid, is ver te zoeken.
Maar de vraag is of dat erg is. Gezelligheid is een groep gelukkige mensen. Een gelukkig individu is nooit gezellig. Gezelligheid is dus ook een taalprobleem: er is geen woord voor gezelligheid in je eentje. Terwijl iemand uitermate tevreden en gelukkig kan zijn met een diner voor 1. De verassing (en daarmee het geluk) van het eten is door het chemisch koken wel groter dan vroeger. Het spektakel is niet meer de vlam in de pan aan tafel, of de fondueschaal in de zitkuil. Het spektakel speelt zich nu af in de mond. Gefrituurde bitterbal van asperge-ijs (warme korst, koude vulling). Een oester met een plakje zeewater. Geroosterde groenten die eenmaal in de mond verdwijnen als sneeuw voor de zon. Een gefrituurde mars als toetje. Het vermaak zit besloten in het individu. Het is persoonlijk, uniek. Het is net als de stille disco: op een dansvloer allemaal mensen met een mp3 speler en een koptelefoon. Ieder zijn eigen muziek, en toch met z’n allen bij elkaar. Individuele gezelligheid. Persoonlijk geluk.
Gastronomie kan geluk veroorzaken, maar kan geluk ook gastronomie voortbrengen? Kan het zijn dat, wanneer je je gelukkig of lekker voelt, je dat gevoel kunt omzetten in gastronomie? In happy food? Is Fair Trade voedsel en slow food een resultaat van geluk?, van het feit dat wij het beter hebben dan een ander? Worden de bananen lekkerder wanneer ze door Max Havelaar worden geteeld? Als dat niet zo is, waarom zouden we dan de moeite doen? Of is het een uitwas van gemor om gekke koeien ziekte, mond en klauwzeer en zalmparasieten? Dingen waar wij eerlijk gezegd niet veel van merken afgezien van de beelden op tv. Als wij allemaal fair handelen en slow gaan eten, veranderen we dan iets aan het systeem?
Ik denk niet dat we daar ooit achter zullen komen. Net zoals vroeger de armen een boterham met reuzel aten en de rijken een gekonfijte dodobout, eten de rijken nu fair en slow, betalen veel voor weinig. Het blijft de economische wet van schaarste; meer smaak wil iedereen wel, maar meer smaak is duurder. Een goed voorbeeld is spek. Er worden nu op kleine schaal varkens gefokt met meer bewegingsvrijheid, beter voer, minder stress en meer rust. Dit resulteert in meer vet. Die varkensrassen zijn vaak ook nog kleiner. Dus meer vet en minder varken, is minder vlees voor meer geld. Maar dat vet heeft smaak! Het is het vet dat in vlees (en vis) zorgt voor smaak. Er is zelfs een Italiaanse delicatesse die bestaat uit puur spekvet: Lardo. Het vet wordt in kruiden gemarineerd en rijpt vervolgens enkele maanden in marmeren bakken. Het wordt dun geneden en op brood geserveerd. Bij ons zouden ze zeggen; ‘5 euro voor een ons reuzel? Hartstikke gek!’
De minder bedeelden daarentegen eten Knorr en Little: voor weinig geld grote hoeveelheden. Een kilo batterijkip voor 5 euro. En er is nu zelfs legbatterij vis: de tilapia. In gigantische hoeveelheden gekweekt omdat het zo belangrijk is dat iedereen genoeg levertraan binnenkrijgt. Dat hierdoor vissoorten uitsterven is lang niet zo erg als ganzenlever.
Voor de een zit geluk in een met eendenlever gevulde kwartel, voor de ander is geluk de aanbieding van woensdag: 2 kilo kipfilet voor bijna niks waar het hele gezin van kan eten. Zonder schuldgevoel.
Na deze overpeinzing was er een wijnproeverij. We hadden wijn uitgezocht die bij iedereen een historisch gevoel zou oproepen: een rosé, een Oostenrijker en een Moezel. Er zouden ongetwijfeld beelden worden opgeroepen van de donkergroene, platte buikfles van Mattheus, koelvloeistof en sloten zoete meuk. Dat het nu anders is lieten we zien. Tegenwoordig maakt men geen sloten slurpwijn meer in Europa omdat men toch niet kan prijsvechten met de nieuwe wereld. Nu concentreert men zich op kwaliteit en uniciteit: een rose van de avonturier Philippe Salasc (Grange Philippe), een witte uit de Steiermark van topper sabathi en een rode moezel: de Spatburgunder van heuser. Daarnaast hadden we, ook weer met het oog op culitrends in de geschiedenis, enkele hapjes: geen kippe-borrelpootjes maar gekonfijte kwartelboutjes, geen gevulde champignons, maar crostini met truffeltapenade, en geen hamrolletjes met asperges, maar asperge panna-cotta met hammoes.dinsdag 12 mei 2009
kloosterliefde

we hebben in de ootmarsumse binnenstad een klooster | de nonnen zijn er al 3 jaar uit, de gemeente heeft het aangekocht, en probeert het te 'ontwikkelen' | nadat de (niet onwerkelijke of onwaarschijnlijke) plannen van scarabee van hennie en yvonne werden getorpedeert door de gemeente vanwege (vermoedelijk!) financiele onhaalbaarheid volgens de gemeente, werd het tijd voor volwassen plannen | hiervoor werd kondor wessels uitverkoren om een architect (spaans-nederlands bureau) een plan te laten maken | architectonisch ligt er nu een mooi plan, helaas voorziet het plan in gedeeltelijke afbraak van het klooster | maar vult het ootmarsum aan met hoogbouw en winkelplein |
kloosterliefde? afgezien van het feit dat kloosters in het algemeen verdwijnend cultuurgoed zijn, is het klooster in oatmossche 1 van de 4 skyline bepalende architectonische referenties | wanneer er onbezonnen (!) mee om wordt gegaan, is er geen weg terug | vraagje: hoe kan iets dat zo'n stempel drukt op een historisch toeristisch plaatsje, in z'n vorm behouden blijven, toch nieuwe functies huisvesten, te duur zijn om te ontwikkelen met maatschappelijke functies en zonder gemeentelijk gezichtsverlies functioneren? daarnaast, wanneer een monument alleen een monument is wanneer het 100 jaar oud wordt, is dat wel een hele slechte definitie van monument, toch?
en ja, vanbinnen is het bijkans nog mooier dan vanbuiten: geglazuurde baksteen, je waant je in het utrechts postkantoor op het neude!
woensdag 6 mei 2009
sashimi

afgelopen weekend weer sushi+sashimi gemaakt | en dan komt de crisis wel heel erg dichtbij | de 'tonijncrisis' welteverstaan! | volgens de visinkoper-verkoper was er totaal geen aanbod deze week, en een goeie visinkoper-verkoper gaat dan niet op zoek naar winkeldochters | ik waardeer dat | dan suzuki gekocht (zeebaars voor niet japanners) | alleen laten ontschubben, vooral niet schoon laten maken, dan worden de filets aangetast | thuis goed afspoelen, goed droogdeppen, en dan met een scherp, kort mes (kleine deba) de filets van de rug naar de buik eraf halen | weer wassen en drogen, en dan met flexibel, dun mes, de huid eraf snijden: mooi dooraderd, transparant vlees | zonder gele of rode vlekken! daarna alleen nog in mooie mootjes snijden (voor wie liever spaans eet: nu sherryazijn met wat suiker mengen en over de filets gieten: escabeche!) | wat wasabipasta maken, radijsjes, gekonfijte gember en dippen in de soy: topavond!

